Columns

Stel je voor

Stel je voor… je zit bij een nieuw clubje. Je kent de mensen van gezicht en probeert in stilte namen aan neuzen te koppelen. En dan maken ze zo’n rondje. Dat je je even moet voorstellen. Als de eerste zijn naam en leeftijd zegt en toevoegt dat ie al zestien jaar lid is van de club, dan weet ik dat dat de mores is. Ik noem mijn naam, leeftijd en glimlach dat ik nieuw ben bij de club.

En toen kwam de dag dat ik nieuw was bij een clubje en ze mij als eerste vroegen me voor te stellen. “Wat willen jullie weten?” vroeg ik onbevangen. Dat was niet de bedoeling, zag ik aan de neuzen zonder namen. Ik hakkelde mijn naam en leeftijd en begon een onhandig verslagje van de route naar de club. Dat deed de rest toen ook. Zo werkt dat.

Vanmiddag ga ik naar een nieuw clubje. Ik oefen mijn mini-voorstelling. Naam, leeftijd en missie. Een klein grapje misschien? Dat laat ik afhangen van de neuzen.

Soos

In Vlijmen heeft de supermarkt een zogenaamde kletskassa. Daar hebben de klant én de medewerker tijd voor een babbeltje. En iedereen die in de rij staat bij de betreffende kassa heeft er blijkbaar ook tijd voor. Het blijkt een groot succes dat navolging vindt.

Wat fijn dat een supermarkt ziet dat haar klanten voor meer komen dan voor boodschappen en zegeltjes. Het filiaal heeft een vrolijk bord boven de kassa opgehangen. Zo weet iedereen in één keer wat de bedoeling is. Ik ben groot voorstander van praatjes, dus ik ben blij. Maar wacht eens even… ineens zie ik de hele kleine lettertjes onder de foto in de column in de Volkskrant. Kijk even… hier. Zie je ‘t? Praatje is toegestaan.

Dat schiet me in het verkeerde keelgat. Dit impliceert dat je bij de andere kassa’s je mond moet houden. Dit is regelrechte achteruitgang! Bij de oude supermarkt hing een bordje ‘snelkassa’. Daar kon je met minder dan 7 items razendsnel inpakken en wegwezen. Bij alle andere kassa’s kon je op je eigen tempo je bon in je beurs proppen en een woordje wisselen.

Ojee, ik voel weer burgerlijke ongehoorzaamheid opborrelen.

Sterk

Ik heb een vrouw ontmoet. Een sterke vrouw. We raakten aan de praat. Ze stotterde en dat vonden we allebei geen probleem, geloof ik. ‘Normaal stotter ik meer’ zei ze. Ik heb niet gevraagd hoe dat kwam. Ze vertelde over de achternaam die ze met haar huwelijk gekregen had. Een lastige achternaam, als je stottert. Als ze een stotter voelde aankomen op die achternaam dan koos ze soms voor haar meisjesnaam. Zo analyseerde ze alle taal die nog komen ging op aankomende stotters en koos voor alternatieven die makkelijker uit te spreken waren. ‘Ik schrijf graag’ zei ze. En ineens begreep ik waarom. In het schrijven voelt ze zich vrij. Ze kan schrijvend woorden gebruiken die ze waarschijnlijk niet zal zeggen.

‘s Avonds las ik wat ze geschreven had. Een sterke vrouw.

Accent

In Trouw kun je advies vragen aan een deskundige als je er zelf niet helemaal uitkomt. Dat is handig. Er zijn altijd zaken die niet te googelen zijn, toch? Waar ligt mijn blauwe haaknaald? Hoe was nou toch ook alweer de naam van die aardige vrouw, met dat knotje, die altijd op dat bankje….?

Beatrijs Ritsema gaf op 6 september van dit jaar (2019) antwoord in de krant op de vraag: Is de vriendschap met mijn vriend nog te redden? Wat wil het geval; de vriend heeft een sterk Amsterdams accent en de briefschrijver ergert zich daar groen en geel aan. De Amsterdammer heeft zijn best gedaan om er iets aan te doen, maar ziet het niet als een probleem. Lees hier de vraag en het antwoord van mevrouw Ritsema.

Ik kan wel zeggen dat u zich niet moet ergeren, maar u zult uw ergernis net zomin de kop kunnen indrukken als uw vriend in staat zal zijn om zich te voegen naar uw wens om zijn Amsterdamse accent af te schudden. Dan blijft er niets anders over dan de vriendschap af te bouwen. Dan verliest u natuurlijk wel een vriend, met wie het verder waarschijnlijk leuk omgaan was.

Er zijn mensen die in staat zijn om een accent kwijt te raken. Vaak gaat daar heel wat geoefen aan vooraf. Maar als je dat echt echt echt zou willen, kun je een heel eind komen. Maar kan je ergernis net zo min de kop indrukken? Als je jezelf regelmatig toespreekt, op het moment dat je je ergert, dat oordelen de vriendschap verpest? Zou het dan lukken om de vriendschap voort te zetten? Dat ga ik even googelen.

Jezelf

Heb je wel eens een opname van jezelf teruggehoord? Klinkt gek, toch? Heel anders dan je zelf denkt te klinken. Ik vind het minder mooi. Als je spreekt hoor je jezelf binnendoor én van buitenaf. Via de lucht klets je zo je eigen oren weer binnen. Als je een opname terug luistert, dan mis je die binnenste resonantie van het geluid.

Het schijn dat je, als je jezelf vaker hoort, gewend raakt aan je buitenom-geluid en het minder gek of lelijk is. Maar het gekke is dat, als we niet weten dat het onze eigen stem is waar we naar luisteren, we die mooier vinden dan andere stemmen. Stond in Het Laatste Nieuws van 6 september 2019.

In 2013 lieten onderzoekers van de Amerikaanse Albright Universiteit 80 proefpersonen naar opnames luisteren van verschillende stemmen, inclusief opnames van hun eigen stem – die ze volgens de wetenschappers niet als zodanig herkenden. Allemaal gaven ze hun eigen stem consistent gemiddeld een hoger cijfer (op aantrekkelijkheid) dan de andere stemmen die ze te horen kregen.

Fascinerend, toch? Wist je niet, hè? Ik ook niet.

Chantal

“Goedemiddag, Blablafirma, met Chantal.”

Chantal klinkt opgewekt. Ze is vast tussen de twintig en de dertig, gok ik. Ze klinkt blond. Ik ken alleen blonde Chantallen, dus het lijkt me stug dat ze een brunette is. Chantal werkt er al een tijdje, dat hoor je aan de riedel. Kordaat, zij kent haar taak en staat niet met haar mond vol tanden als ze het even niet weet. Als Chantal er niet uitkomt dan verbindt ze door met haar supervisor. Chantal kan goed doorverbinden, dat hoor je zo. Chantal is een stralend visitekaartje.

En dan ineens begint ze te hoesten. Onbedaarlijk te hoesten. Zou ze zich verslikt hebben? Ze blaft en proest. En dan is het stil. Chantal heeft de verbinding verbroken. Hoorn op de haak (of, dat lijkt me waarschijnlijker, headset op het bureau). Ze staat nu vast in het keukentje van het kantoor aan een glaasje water te nippen of haar supervisor slaat haar geruststellend op de rug. Ik wacht een kwartiertje, kan ze even op adem komen. Ze geeft me even de tijd om over mijn aannames te denken. Misschien is Chantal gewoon een roodharige veertiger en heeft ze helemaal geen supervisor. Misschien raakte ze in paniek omdat dit haar eerste werkdag is en huilt ze nu uit bij een kersvers collegaatje. Misschien was het geen hoestbui, maar is er een overvaller de firma binnengeslopen en…. mijn hoofd verzint vrolijk verder.

“Goedemiddag, Blablafirma, met Chantal.” Zucht. Gelukkig, zo ken ik haar weer.

Computer

Ik heb er geen. Maar wat een prachtige uitvinding is het toch… de spraakcomputer. Een stem spreekt uit wat je zeggen wilt als je dat zelf niet kunt. Je kunt de computer besturen op een manier die bij je past. En je hebt de vrijheid om je te uiten met de woorden die je zelf gekozen hebt. Je kunt zelf je stem kiezen.

Afgelopen jaar heb ik niet onder een steen gelegen, maar toch had ik Lee Ridley (oftewel de Lost Voice Guy) gemist. Lee (Mag ik Lee zeggen? Ik ken de man niet, maar we zijn collega’s in het tonen van een communicatieve beperking. Ja, ik zeg Lee. Ik kies mijn eigen woorden.) Lee is stand-up comedian en heeft in 2018 meegedaan aan Britain got talent. Kijk hier terug hoe hij meedeed aan de competitie.

Staande ovatie voor Lee. Een ovatie voor een apparaat gaat mij net te ver, maar een daverend applaus voor de bedenkers, makers en ontwikkelaars van spraakcomputers. Zij geven mensen een stem, de mogelijkheid om hun woorden te kiezen, zich te uiten en grappig te zijn. De kans om….-meedoen- is niet het goede woord, dat klinkt teveel naar getolereerd worden. Spraakcomputers geven mensen de kans om te doen en te zijn.

Niveau

Kijk, dat kan ik nou waarderen. Iemand die eerlijk zegt dat ze iets moeilijk vindt. Dan is de helft van de wedstrijd al gewonnen, vind ik. “Weet je, als iemand een handicap heeft, dan vind ik het helemaal niet zo moeilijk om iemands niveau in te schatten. Maar als iemand er ook nog anders bij praat… dan is het ineens wel moeilijk. Dan hoor ik mezelf al anders terugpraten. Dan ga ik zelf ineens harder, of langzamer… of ik gebruik ineens hele simpele korte zinnetjes. Stom eigenlijk.”

Tja, dat herken ik wel vanaf de andere kant. Dat er tegen mij langzaam, hard of te simpel gesproken wordt. Maar ik herken het ook van die ene kant. Ik moet soms ook zoeken. Doen we dat niet allemaal bij iedereen die we nog niet kennen? Ik denk van wel. Alleen kan het zoeken bij iemand die anders spreekt wat moeilijker zijn. Misschien duurt het wat langer, of gaat het minder vanzelf. Dat komt door de ruis.

50 jaar

Deze week zijn ze vijftig jaar getrouwd. En zoals dat in onze familie gebruikelijk is, vieren we dat met lekker eten, muziek en een praatje.

En dus maakten we een lied. Nee, we maakten drie liedjes. Eén van de drie moest beurtelings gezongen worden door mij en mijn zus. Zinnetje van mij, zinnetje van haar, weer eentje van mij… je snapt het principe. Nou is het zingen ten overstaan van publiek een dingetje als je een spraakgebrek hebt, moeizaam toon kunt houden en een tikkie timing mist. Bij een lied zijn de juiste toon én het goede moment nog belangrijker dan tijdens spreken, natuurlijk.

Ik overwoog om te playbacken. Ik overwoog even om een keelontsteking te faken. Ik overwoog om het nummer te herschrijven. En ik besloot toch te zingen. Alle toehoorders op het feestje kennen me en houden (in meer of mindere mate, ha ha) van me. Toch moest ik wel even moed verzamelen. “Het hoeft niet perfect te zijn om goed genoeg te zijn”, sprak ik mijzelf toe. We deelden ondertitels op papier uit. Ik haalde adem en zette in. Net te laag en te laat, maar goed genoeg. En toen ging het mis. Mijn zus, die zowaar nog geen moment had overwogen om te playbacken of haar stem onverklaarbaar zoek te raken, zette niet in. Er kwam niks. De piano en gitaar speelden door en ik porde haar in haar zij om haar op gang te krijgen. En toen wist ze het weer. En dus begon ik nog een keer mijn eigen eerste zin. Iets beter van toon en timing dan de eerste keer. Zij zette ook in en we zongen het lied uitgelaten uit. Zij voelde geen drempel en struikelde, ik zag mezelf al de hele dag struikelen en stapte over de drempel.

Om één of andere reden klinkt een moraal van een verhaal altijd beter in een onverstaanbaar dialect, dus hier komt de moraal van dit verhaal: As ge nie wit wa kom, dan het vooruut janken gene zin.

Zuid-Korea

Wat ben ik blij dat ik vandaag niet in Zuid-Korea woon. Daar zijn diverse redenen voor, maar ik heb me deze zomer eens verdiept in de Zuid-Koreaanse communicatie. Ik las ergens (ik weet niet meer precies in welk boek in ons vakantiehuisje) dat je daar maar beter niets gaat navragen. Stel… een ober legt aan je tafeltje uit welke vis er op je bord ligt. Dan is het niet de bedoeling dat je nog even doorvraagt waar die vis gevangen is. Doorvragen is een belediging, omdat je daarmee eigenlijk zegt dat de ober het niet goed heeft uitgelegd. Ook met een toevallige aanraking kan je de ander tot op het bot krenken. Oogcontact, doe maar niet teveel en pas je een beetje aan de status van je gesprekspartner aan. Nee zeggen? Ik wil dat natuurlijk niet afwijzen, maar misschien kun je het beter verpakken tot het een ja lijkt. Het is zeer belangrijk om de sfeer in een gesprek goed te houden.

Een bezoek aan Zuid-Korea zou voor mij een krampachtige communicatie-omslag betekenen. Het maakt me wel nieuwsgierig, maar vandaag ben ik blij dat ik er niet woon.

Vanmorgen sprak ik, voor de supermarkt, iemand uit de buurt. We keuvelden wat en plotseling trok ze me naar zich toe. Een klinkende klapzoen kletste op mijn wang. “Bedankt voor je boek. Dat wilde ik je al steeds zeggen. Ik heb het gelezen en ga het gebruiken op mijn werk. Ik ga dat stukje aan mijn studenten voorlezen over die man met Parkinson. Ik vond het zo herkenbaar”. Een beetje blij-verlegen liep ik naar huis. Dat doen ze vast niet in Zuid-Korea… klinkende klapzoenen op straat uitdelen.