Columns

Judo

Ik heb een man gekend die communicatief iets heel handigs deed. Als je met hem sprak bevestigde hij wat je zei. Tuurlijk, dat vind ik ook! Om vervolgens te ontkrachten wat je zei. Het leek wel judo. Wel eens gejudood? Dan beweeg je mee met je judomaatje om uiteindelijk diens beweging om te draaien in jouw voordeel. Voorbeeldje? Laten we de man Harry noemen, dat vind ik een mooie neutrale naam voor een judokus.

Karen: Ik ben niet zo’n liefhebber van kermissen.

Harry: Je hebt helemaal gelijk, Karen. Kermissen zijn ook verschrikkelijk, totdat je die in Tilburg hebt gezien. Je weet niet wat je meemaakt.

En voordat je het weet heeft Harry je ingepakt en zit je met een suikerspin in een botsauto in het Zuiden des Lands. Dat bevestigen van Harry was een heel effectief trucje. Want ook ik vind het heerlijk om bevestigd te worden. Maar Harry en ik zijn nooit vrienden geworden. Harry echt leren kennen was namelijk nog niet zo eenvoudig. Wat hij echt dacht, vond, wilde… ik ben er nooit achter gekomen. Geen idee wie Harry was.

Sju

Als het einde van een drukke week en een drukke dag samenvallen, dan knoei ik nog wel eens met de taal.

Vrijdagavond schuilden dochter en ik voor een fikse bui. Het hondenweer viel met spreekwoordelijke pijpenstelen met bakken uit de lucht. We overlegden over de kortste route naar het pannenkoekenhuis en dochter trok alvast haar capuchon over haar hoofd. Goed idee. Ik grabbelde wat bovenaan mijn rug, maar moest concluderen dat ik de verkeerde jas aan had. Sip zei ik: “Ik heb geen parachute”. Daar konden we om lachen.

Bij de pannenkoek dacht ik er even aan terug. Een parachute en een capuchon zitten in mijn brein in hetzelfde taal-laatje. Ze hebben ook nogal wat overeenkomsten. Drielettergrepig, met allebei zo’n sju-klank die je niet zoveel hoort in het Nederlands. Maar ook qua betekenis passen ze in hetzelfde laatje. Ze hebben allebei een beschermende functie. De ene tegen de regen, de ander tegen te pletter. Als je een beetje je best zou doen kun je in de vorm van een parachute zelfs een hele grote capuchon zien, toch? Als ik woorden verkeerd gebruik zijn het vaak woorden die bij elkaar in hetzelfde laatje in mijn brein zitten. Ik zal niet gauw zeggen dat ik geen tekenpapier, paardenbloem of chocoladetaartje heb als ik mijn capuchon mis.

Paraplu zit ook bij parachute in het laatje. Logisch. Moet ik, de volgende keer, alvast thuis bedenken.

Afasie

Het is Week van de afasie. Van 5 tot en met 12 oktober 2019 is er her en der en overal extra aandacht voor de gevolgen van afasie. Afasie is een taalstoornis die impact kan hebben op het begrijpen, uiten, schrijven en lezen van taal. Dat betekent dat je niet of moeilijk kan zeggen wat je zeggen wil. Dat je niet of moeilijk begrijpt wat anderen zeggen. Dat je moeite hebt met lezen en/of schrijven. Afasie heeft invloed op alle aspecten van het leven.

Ik volg met interesse alles wat voorbij komt over afasie. Er duiken overal tips op voor gesprekspartners want in gesprek zijn met afasie is niet alleen lastig voor de persoon met afasie. AfasieNet biedt waardevolle concrete aanwijzingen . Daar kan je wat mee. Als je de tips leest kan je de indruk krijgen dat het heel ingewikkeld is om met iemand met afasie te spreken. Dan kan. Maar het kan ook leuk zijn, gezellig, leerzaam, fijn en grappig.

Ik wens ons allen deze week waardevolle gesprekken.

Stel je voor

Stel je voor… je zit bij een nieuw clubje. Je kent de mensen van gezicht en probeert in stilte namen aan neuzen te koppelen. En dan maken ze zo’n rondje. Dat je je even moet voorstellen. Als de eerste zijn naam en leeftijd zegt en toevoegt dat ie al zestien jaar lid is van de club, dan weet ik dat dat de mores is. Ik noem mijn naam, leeftijd en glimlach dat ik nieuw ben bij de club.

En toen kwam de dag dat ik nieuw was bij een clubje en ze mij als eerste vroegen me voor te stellen. “Wat willen jullie weten?” vroeg ik onbevangen. Dat was niet de bedoeling, zag ik aan de neuzen zonder namen. Ik hakkelde mijn naam en leeftijd en begon een onhandig verslagje van de route naar de club. Dat deed de rest toen ook. Zo werkt dat.

Vanmiddag ga ik naar een nieuw clubje. Ik oefen mijn mini-voorstelling. Naam, leeftijd en missie. Een klein grapje misschien? Dat laat ik afhangen van de neuzen.

Soos

In Vlijmen heeft de supermarkt een zogenaamde kletskassa. Daar hebben de klant én de medewerker tijd voor een babbeltje. En iedereen die in de rij staat bij de betreffende kassa heeft er blijkbaar ook tijd voor. Het blijkt een groot succes dat navolging vindt.

Wat fijn dat een supermarkt ziet dat haar klanten voor meer komen dan voor boodschappen en zegeltjes. Het filiaal heeft een vrolijk bord boven de kassa opgehangen. Zo weet iedereen in één keer wat de bedoeling is. Ik ben groot voorstander van praatjes, dus ik ben blij. Maar wacht eens even… ineens zie ik de hele kleine lettertjes onder de foto in de column in de Volkskrant. Kijk even… hier. Zie je ‘t? Praatje is toegestaan.

Dat schiet me in het verkeerde keelgat. Dit impliceert dat je bij de andere kassa’s je mond moet houden. Dit is regelrechte achteruitgang! Bij de oude supermarkt hing een bordje ‘snelkassa’. Daar kon je met minder dan 7 items razendsnel inpakken en wegwezen. Bij alle andere kassa’s kon je op je eigen tempo je bon in je beurs proppen en een woordje wisselen.

Ojee, ik voel weer burgerlijke ongehoorzaamheid opborrelen.

Sterk

Ik heb een vrouw ontmoet. Een sterke vrouw. We raakten aan de praat. Ze stotterde en dat vonden we allebei geen probleem, geloof ik. ‘Normaal stotter ik meer’ zei ze. Ik heb niet gevraagd hoe dat kwam. Ze vertelde over de achternaam die ze met haar huwelijk gekregen had. Een lastige achternaam, als je stottert. Als ze een stotter voelde aankomen op die achternaam dan koos ze soms voor haar meisjesnaam. Zo analyseerde ze alle taal die nog komen ging op aankomende stotters en koos voor alternatieven die makkelijker uit te spreken waren. ‘Ik schrijf graag’ zei ze. En ineens begreep ik waarom. In het schrijven voelt ze zich vrij. Ze kan schrijvend woorden gebruiken die ze waarschijnlijk niet zal zeggen.

‘s Avonds las ik wat ze geschreven had. Een sterke vrouw.

Accent

In Trouw kun je advies vragen aan een deskundige als je er zelf niet helemaal uitkomt. Dat is handig. Er zijn altijd zaken die niet te googelen zijn, toch? Waar ligt mijn blauwe haaknaald? Hoe was nou toch ook alweer de naam van die aardige vrouw, met dat knotje, die altijd op dat bankje….?

Beatrijs Ritsema gaf op 6 september van dit jaar (2019) antwoord in de krant op de vraag: Is de vriendschap met mijn vriend nog te redden? Wat wil het geval; de vriend heeft een sterk Amsterdams accent en de briefschrijver ergert zich daar groen en geel aan. De Amsterdammer heeft zijn best gedaan om er iets aan te doen, maar ziet het niet als een probleem. Lees hier de vraag en het antwoord van mevrouw Ritsema.

Ik kan wel zeggen dat u zich niet moet ergeren, maar u zult uw ergernis net zomin de kop kunnen indrukken als uw vriend in staat zal zijn om zich te voegen naar uw wens om zijn Amsterdamse accent af te schudden. Dan blijft er niets anders over dan de vriendschap af te bouwen. Dan verliest u natuurlijk wel een vriend, met wie het verder waarschijnlijk leuk omgaan was.

Er zijn mensen die in staat zijn om een accent kwijt te raken. Vaak gaat daar heel wat geoefen aan vooraf. Maar als je dat echt echt echt zou willen, kun je een heel eind komen. Maar kan je ergernis net zo min de kop indrukken? Als je jezelf regelmatig toespreekt, op het moment dat je je ergert, dat oordelen de vriendschap verpest? Zou het dan lukken om de vriendschap voort te zetten? Dat ga ik even googelen.

Jezelf

Heb je wel eens een opname van jezelf teruggehoord? Klinkt gek, toch? Heel anders dan je zelf denkt te klinken. Ik vind het minder mooi. Als je spreekt hoor je jezelf binnendoor én van buitenaf. Via de lucht klets je zo je eigen oren weer binnen. Als je een opname terug luistert, dan mis je die binnenste resonantie van het geluid.

Het schijn dat je, als je jezelf vaker hoort, gewend raakt aan je buitenom-geluid en het minder gek of lelijk is. Maar het gekke is dat, als we niet weten dat het onze eigen stem is waar we naar luisteren, we die mooier vinden dan andere stemmen. Stond in Het Laatste Nieuws van 6 september 2019.

In 2013 lieten onderzoekers van de Amerikaanse Albright Universiteit 80 proefpersonen naar opnames luisteren van verschillende stemmen, inclusief opnames van hun eigen stem – die ze volgens de wetenschappers niet als zodanig herkenden. Allemaal gaven ze hun eigen stem consistent gemiddeld een hoger cijfer (op aantrekkelijkheid) dan de andere stemmen die ze te horen kregen.

Fascinerend, toch? Wist je niet, hè? Ik ook niet.

Chantal

“Goedemiddag, Blablafirma, met Chantal.”

Chantal klinkt opgewekt. Ze is vast tussen de twintig en de dertig, gok ik. Ze klinkt blond. Ik ken alleen blonde Chantallen, dus het lijkt me stug dat ze een brunette is. Chantal werkt er al een tijdje, dat hoor je aan de riedel. Kordaat, zij kent haar taak en staat niet met haar mond vol tanden als ze het even niet weet. Als Chantal er niet uitkomt dan verbindt ze door met haar supervisor. Chantal kan goed doorverbinden, dat hoor je zo. Chantal is een stralend visitekaartje.

En dan ineens begint ze te hoesten. Onbedaarlijk te hoesten. Zou ze zich verslikt hebben? Ze blaft en proest. En dan is het stil. Chantal heeft de verbinding verbroken. Hoorn op de haak (of, dat lijkt me waarschijnlijker, headset op het bureau). Ze staat nu vast in het keukentje van het kantoor aan een glaasje water te nippen of haar supervisor slaat haar geruststellend op de rug. Ik wacht een kwartiertje, kan ze even op adem komen. Ze geeft me even de tijd om over mijn aannames te denken. Misschien is Chantal gewoon een roodharige veertiger en heeft ze helemaal geen supervisor. Misschien raakte ze in paniek omdat dit haar eerste werkdag is en huilt ze nu uit bij een kersvers collegaatje. Misschien was het geen hoestbui, maar is er een overvaller de firma binnengeslopen en…. mijn hoofd verzint vrolijk verder.

“Goedemiddag, Blablafirma, met Chantal.” Zucht. Gelukkig, zo ken ik haar weer.

Computer

Ik heb er geen. Maar wat een prachtige uitvinding is het toch… de spraakcomputer. Een stem spreekt uit wat je zeggen wilt als je dat zelf niet kunt. Je kunt de computer besturen op een manier die bij je past. En je hebt de vrijheid om je te uiten met de woorden die je zelf gekozen hebt. Je kunt zelf je stem kiezen.

Afgelopen jaar heb ik niet onder een steen gelegen, maar toch had ik Lee Ridley (oftewel de Lost Voice Guy) gemist. Lee (Mag ik Lee zeggen? Ik ken de man niet, maar we zijn collega’s in het tonen van een communicatieve beperking. Ja, ik zeg Lee. Ik kies mijn eigen woorden.) Lee is stand-up comedian en heeft in 2018 meegedaan aan Britain got talent. Kijk hier terug hoe hij meedeed aan de competitie.

Staande ovatie voor Lee. Een ovatie voor een apparaat gaat mij net te ver, maar een daverend applaus voor de bedenkers, makers en ontwikkelaars van spraakcomputers. Zij geven mensen een stem, de mogelijkheid om hun woorden te kiezen, zich te uiten en grappig te zijn. De kans om….-meedoen- is niet het goede woord, dat klinkt teveel naar getolereerd worden. Spraakcomputers geven mensen de kans om te doen en te zijn.