Sportdag

Als ik ‘sportdag’ hoor, loopt er nog altijd een koude rilling van mijn kruin naar beneden. Die rilling kreeg ik ook als klasgenoten om beurten een naam mochten noemen om teams te maken. Meestal bleven we met z’n drietjes over. We werden in overleg verdeeld. “Nemen jullie haar, dan nemen wij die andere twee kneuzen?”

Vanmorgen begon de sportdag. Mijn taak beperkt zich tegenwoordig tot het halen en brengen van een sportertje. Ze kijkt er al weken naar uit. “Hoe maken jullie teams?” Ze haalt haar schouders op en mompelt: “Gewoon. Juf zegt dat we teams moeten maken en dan ren ik naar mijn vriendinnen”. Ik vraag me af of het uitmaakt of die vriendinnen goed kunnen sporten. “Tja, als ik ├ęcht wil winnen, ren ik naar Suel, Mees en Isa. Behalve bij voetbal, dan kies ik Wout.” “Is er iemand die altijd als laatste gekozen wordt?” “Iedereen wordt wel eens als laatste gekozen, toch?”